Geloof jij wat je eet?

Een persoonlijk blog van Karen Gussow, rechercheur bij de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de NVWA.

 Stel, je koopt saffraan. Een dure specerij. Dan ga je er van uit dat het werkelijk saffraan is. Want als consument vertrouw je erop dat je krijgt waar je voor betaalt. Toch is ons voedsel niet altijd wat het lijkt. Zo staat saffraan in een wereldwijde top tien lijst van voedsel dat lang niet altijd authentiek is. De draadjes horen van de stamper van de crocus sativus te komen, maar er worden ook andere delen of zelfs heel andere planten gebruikt. En dat is oneerlijk. Regelrechte fraude zelfs.

Onzichtbaar

Aan een losse appel kun je zien of hij rot is. Bij voorverpakte, ‘eetrijpe’ vruchten wordt dat al moeilijker. Maar of er een verboden gewasbeschermingsmiddel is gebruikt, waar nog een restje van is achtergebleven, is niet waar te nemen. Bij veel voedselproducten is het voor de doorsnee consument gewoon onmogelijk om te zien of te controleren of het om een veilig en eerlijk product gaat. Neem nou het paardenvlees in plaats van het beloofde rundvlees in diepvrieslasagne en Zweedse balletjes. Of de vrije-uitloopeieren die in werkelijkheid gewone scharreleieren bleken te zijn. Twee fraudezaken waar mijn werkgever, de NVWA, de afgelopen jaren veel tijd aan heeft besteed.

Maar er wordt met veel meer voedsel gesjoemeld. Liegen over de herkomst of de soort vis, verkoop van verrotte kaas, inferieure snippers vlees verwerken in gehakt en worst. We weten dat er heel wat wordt gemixt, toegevoegd, nagemaakt en onterecht ‘langer houdbaar’ gemaakt. Het zijn allemaal manieren om fraude met voedsel te verdoezelen om zo de winst van de fraudeur te maximaliseren.

Veilig of oneerlijk?

Voedselfraude is van alle tijden, wordt vaak gezegd. Betekent dat dat we het maar moeten accepteren? Dat het normaal is? Het is in ieder geval niet altijd zonder gezondheidsrisico. Sommige stukken vlees zijn gewoon niet meer geschikt om op te eten. Voedselgrondstoffen kunnen beschadigd, vervuild of besmet zijn en toch gewoon worden gebruikt. Allerlei schadelijke stofjes, bacteriën en virussen kunnen zich zo ongezien verschuilen in ons voedsel. Als we (acuut) ziek kunnen worden van voedsel, dan moet het zo snel mogelijk uit de schappen worden gehaald. En ook dan kan fraude roet in het eten gooien. Fraude frustreert de ‘traceerbaarheid’: een belangrijke pijler in ons systeem van voedselveiligheid. Want als rund voor lam, paard voor rund en schar voor schol wordt verkocht, wie weet dan nog waar het allemaal vandaan is gekomen? En waar het nog meer terecht is gekomen? Voedselveiligheid ligt dus vaak in het verlengde van eerlijkheid.

Gevaarlijke praktijken

Ach, zal menigeen denken, van het meeste ga je niet dood. Sterfgevallen als gevolg van voedselfraude zijn in Nederland gelukkig zeldzaam. In andere landen helaas niet. Zo stierven bijvoorbeeld in China zes baby’s nadat fraudeurs het giftige melamine aan babymelkpoeder hadden toegevoegd om de babyvoeding van een dure kwaliteit te laten lijken. In China ontstond daarna heel veel vraag naar betrouwbaar babymelkpoeder van Nederlandse makelij. Vorig jaar hebben we vier mannen gearresteerd die dáár weer een gevaarlijke handel mee waren begonnen: ze vervalsten etiketten van de babymelkpoeder om te doen voorkomen alsof het geschikt was voor baby’s met een koemelkallergie. Als baby’s met een allergie deze melk zouden drinken, kunnen ze een ernstige allergische reactie krijgen. In Engeland overleed twee jaar geleden een jonge man met een pinda-allergie, omdat pindameel werd verkocht als – duurder – amandelmeel.

Iedereen is het er mee eens dat dergelijke fraude aangepakt moet worden. Maar wat nou als de fraude geen risico voor de voedselveiligheid oplevert? Als het vooral misleiding is? Als je te veel betaalt voor een rundvleesslaatje waar bijna geen rundvlees inzit? Of als dat stukje biologisch vlees helemaal niet biologisch is?

We moeten vertrouwen hebben! Maar in wie?

Consumenten zijn voor eerlijk en veilig eten afhankelijk van de goede bedoelingen van bedrijven. Sterker nog, bedrijven zijn daar wettelijk – volgens de Europese General Food Law – verantwoordelijk voor. Het idee dat bedrijven soms best ver gaan om economisch het onderste uit de kan te halen is eng. En dan hoop je dat er een toezichthouder is die goed in de gaten houdt welke bedrijven over de schreef gaan. Helaas is overheidscapaciteit schaars, zeker in vergelijking met het enorme volume internationale voedselstromen dat verhandeld wordt. Wat ik persoonlijk fascinerend vind is de combinatie tussen onzichtbaarheid van fraude met voedsel, en die afhankelijkheid van levensmiddelenbedrijven. Zijn zij voldoende in staat om hun verantwoordelijkheid te nemen, als toch bijna niemand ziet wat ze doen?

Wat kunnen overheid, bedrijfsleven en consumenten doen om elkaar scherp te houden? En hoe draagt de wetenschap haar steentje bij in de bestrijding van fraude met voedsel? Discussieer op het Fraude Film Festival mee over de eerlijkheid van ons voedsel. Wat vind jij belangrijk?

4 & 5 okt
Wij gebruiken cookies om het gebruik van de website te analyseren en het gebruiksgemak te verbeteren. Meer informatie